| Toespraak tot de Kâlâmas |
| Anguttara-Nikaya: 3,7,65 |
| Ned. vertaling door Dharmacari Dhammaketu |
Dit heb ik gehoord. Eens trok de Verhevene met een grote gemeenschap van bhiksu's rond in Kosala en betrad Kesaputta, een stad van de Kâlâmas.
Nu vernamen de Kâlâmas van Kesaputta dat de hooggeachte samana Gotama, de Shakya-zoon, die was weggegaan uit de klan van de Shakya's, in Kesaputta was aangekomen.
En dit was de goede faam die verspreid was over de hooggeachte Gotama:
Zo is hij gewis, de Verhevene, de Arahant, de volkomen en volledig Verlichte, volkomen in weten en wandelen, de Welgegane, de Kenner van de wereld, de onovertroffen Leider van mensen die training zoeken, de Leraar van goden en mensen, de Verlichte, de Verhevene.
Met zijn bovennormale kennis kent hij de wereld en maakt hem bekend, de wereld met zijn goden en maras en brahmas, met zijn samana's en brahmanen, met zijn mensen en niet-menselijke wezens.
Hij maakt een Dharma duidelijk die goed is en vol schoonheid in het begin, goed en vol schoonheid in het midden, goed en vol schoonheid op het einde, naar de betekenis en naar de uitdrukking, in alles volledig. Hij verkondigt het volkomen goddelijk leven.
Het ware goed om een dergelijke Verhevene te zien.
Zo naderen de Kâlâmas van Kesaputta de plaats waar de Gezegende zich bevond. Toen ze er kwamen, begroeten sommigen hem plechtig en gingen opzij zitten. Sommigen begroetten hem met verheugde woorden en gingen opzij zitten. Sommigen begroetten hem met gevouwen handen en gingen opzij zitten. Sommigen noemden hun naam en klan en gingen opzij zitten. En sommigen gingen in stilte opzij zitten.
Het criterium
En toen ze zo gezeten waren zegden de Kâlâmas van Kesaputta tot de Verhevene:
Heer, sommige samana's en brahmanen komen naar Kesaputta. Hun eigen opvattingen leggen ze uit en verlichten ze, maar de opvattingen van anderen verachten ze, kleineren ze en plukken er de veren uit. Daarenboven, Heer, als andere samana's en brahmanen naar Kesaputta komen, leggen ook zij hun eigen opvattingen uit en verlichten ze, maar de opvattingen van anderen verachten ze, kleineren ze en plukken er de veren uit. Heer, er is twijfel, er is onzekerheid omtrent wie van die waardige personen waarheid spreekt en wie valsheid spreekt.
Jazeker, Kâlâmas, het is passend dat u twijfelt, het is passend dat u aarzelt. Onzekerheid ontstaat omtrent wat twijfelachtig is.
Maar kom, Kâlâmas. Gaat niet voort op wat u dikwijls gehoord hebt, noch op traditie, noch op geruchten, noch op schriften, noch op argumenten, noch op gevolgtrekkingen, noch op uitgebreide redeneringen, noch op grondig overwogen opvattingen, noch op de persoonlijkheid van de spreker, noch op de eerbied voor een samana.
Maar Kâlâmas, als u voor uzelf weet: deze dingen zijn ongeschikt, deze dingen zijn afkeurenswaardig, deze dingen worden verworpen door wijzen; als ze ondernomen en uitgevoerd worden leiden deze dingen tot nadeel en lijden, laat ze dan achterwege, Kâlâmas.
Begeerte, haat en waan
Nu, wat denkt u, Kâlâmas: als begeerte oprijst in een mens, rijst ze op tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?
Tot zijn nadeel, Heer.
Nu, Kâlâmas. Deze mens is overgeleverd aan begeerte, overmeesterd door begeerte, in zijn geest overwonnen door begeerte. Hij doodt een levend wezen, neemt wat niet gegeven is, misdraagt zich seksueel, liegt en brengt anderen hetzelfde te doen. Zal dit hem nadeel en lijden brengen voor een lange tijd?
Dat zal inderdaad zo zijn, Heer.
Nu wat denkt u, Kâlâmas: als haat oprijst in een mens, rijst ze op tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?
Tot zijn nadeel, Heer.
Nu Kâlâmas. Deze mens is overgeleverd aan haat, overmeesterd door haat, in zijn geest overwonnen door haat. Hij doodt een levend wezen, neemt wat niet gegeven is, misdraagt zich seksueel, liegt en brengt anderen ertoe hetzelfde te doen. Zal dit hem nadeel en lijden brengen voor een lange tijd?
Dat zal inderdaad zo zijn, Heer.
Nu, wat denkt u, Kâlâmas: als waan oprijst in een mens, rijst ze op tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?
Tot zijn nadeel, Heer.
Nu, Kâlâmas. Deze mens is overgeleverd aan waan, overmeesterd door waan, in zijn geest overwonnen door waan. Hij doodt een levend wezen, neemt wat niet gegeven is, misdraagt zich seksueel, liegt en brengt ertoe hetzelfde te doen. Zal dit hem nadeel en lijden brengen voor een lange tijd?
Dat zal inderdaad zo zijn, Heer.
Wat denkt u, Kâlâmas? Zijn deze zaken geschikt of ongeschikt?
Ze zijn ongeschikt, Heer.
Zijn ze afkeurenswaardig of niet?
Zij zijn afkeurenswaardig, Heer.
Zijn ze verworpen door de wijzen, of niet?
Zij worden verworpen door de wijzen, Heer.
Daarom, Kâlâmas, heb ik gezegd: gaat niet voort op wat u dikwijls gehoord hebt, noch op traditie, noch op geruchten, noch op schriften, noch op argumenten, noch op gevolgtrekkingen, noch op uitgebreide redeneringen, noch op grondig overwogen opvattingen, noch op de persoonlijkheid van de spreker, noch op de eerbied voor een samana. Maar Kâlâmas, als u voor uzelf weet: deze dingen zijn ongeschikt, deze dingen zijn afkeurenswaardig, deze dingen worden verworpen door wijzen; als ze ondernomen en uitgevoerd leiden deze dingen tot nadeel en lijden, laat ze dan achterwege, Kâlâmas.
Maar Kâlâmas, als u voor uzelf weet: deze dingen zijn geschikt, deze dingen zijn aanbevelenswaardig, deze dingen worden geprezen door wijzen; als ze ondernomen en uitgevoerd worden leiden deze dingen tot voordeel en geluk, onderneemt ze dan en blijft erbij, Kâlâmas.
Bevrijding
Nu, wat denkt u, Kâlâmas: als bevrijding van begeerte oprijst in een mens, rijst ze op tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?
Tot zijn voordeel, Heer.
Nu, Kâlâmas. Deze mens is niet overgeleverd aan begeerte, niet overmeesterd door begeerte, in zijn geest niet overwonnen door begeerte. Hij doodt niet langer een levend wezen, neemt niet meer wat niet gegeven is, misdraagt zich niet meer seksueel, liegt niet meer en brengt anderen ertoe hetzelfde te doen. Zal dit hem voordeel en geluk brengen voor een lange tijd?
Dat zal inderdaad zo zijn, Heer.
Nu, wat denkt u, Kâlâmas: als bevrijding van haat oprijst in een mens, rijst ze op tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?
Tot zijn voordeel, Heer.
Nu Kâlâmas. Deze mens is niet overgeleverd aan haat, niet overmeesterd door haat, in zijn geest niet overwonnen door haat. Hij doodt niet langer een levend wezen, neemt niet meer wat niet gegeven is, misdraagt zich niet meer seksueel, liegt niet meer en brengt anderen ertoe hetzelfde te doen. Zal dit hem voordeel en geluk brengen voor een lange tijd?
Dat zal inderdaad zo zijn, Heer.
Nu, wat denkt u, Kâlâmas: als bevrijding van waan oprijst in en mens, rijst ze op tot zijn voordeel of tot zijn nadeel?
Tot zijn voordeel, Heer.
Nu Kâlâmas. Deze mens is niet overgeleverd aan waan, niet overmeesterd door waan, in zijn geest niet overwonnen door waan. Hij doodt niet langer een levend wezen, neemt niet meer wat niet gegeven is, misdraagt zich niet meer seksueel, liegt niet meer en brengt anderen ertoe hetzelfde te doen. Zal dit hem voordeel en geluk brengen voor een lange tijd?
Dat zal inderdaad zo zijn, Heer.
Wat denkt u, Kâlâmas? Zijn deze zaken geschikt of ongeschikt?
Zij zijn geschikt, Heer.
Zijn ze afkeurenswaardig of niet?
Zij zijn niet afkeurenswaardig, Heer.
Worden ze verworpen of geprezen door de wijzen?
Zij worden geprezen, Heer.
Daarom, Kâlâmas, heb ik gezegd: gaat niet voort op wat u dikwijls gehoord hebt, noch op traditie, noch op geruchten, noch op schriften, noch op argumenten, noch op gevolgtrekkingen, noch op uitgebreide redeneringen, noch op grondig overwogen opvattingen, noch op de persoonlijkheid van de spreker, noch op de eerbied voor een samana. Maar Kâlâmas, als u voor uzelf weet: deze dingen zijn ongeschikt, deze dingen zijn afkeurenswaardig, deze dingen worden verworpen door wijzen; als ze ondernomen en uitgevoerd leiden deze dingen tot nadeel en lijden, laat ze dan achterwege, Kâlâmas.
De goddelijke verblijven
Een leerling van de Nobelen, die zo bevrijd is van begeerte, bevrijd is van haat, bevrijd is van waan, die zelfbewust en aandachtig leeft:
Hij verblijft met zijn gemoed vol liefdevolheid gericht naar de eerst windstreek, en ook naar de tweede windstreek, de derde windstreek, de vierde windstreek, naar boven en beneden, met een ver verbreide, uitgegroeide en onbegrensde liefdevolheid die vrij is van haat en kwade wil.
Hij verblijft met zijn gemoed vol medelijden gericht naar de eerst windstreek, en ook naar de tweede windstreek, de derde windstreek, de vierde windstreek, naar boven en beneden, met een ver verbreide, uitgegroeide en onbegrensde compassie die vrij is van haat en kwade wil.
Hij verblijft met zijn gemoed vol meelevende vreugde gericht naar de eerst windstreek, en ook naar de tweede windstreek, de derde windstreek, de vierde windstreek, naar boven en beneden, met een ver verbreide, uitgegroeide en onbegrensde meelevende vreugde die vrij is van haat en kwade wil.
Hij verblijft met zijn gemoed vol gelijkmoedigheid gericht naar de eerst windstreek, en ook naar de tweede windstreek, de derde windstreek, de vierde windstreek, naar boven en beneden, met een ver verbreide, uitgegroeide en onbegrensde gelijkmoedigheid die vrij is van haat en kwade wil.
De vier verwachtingen
Een leerling van de Nobelen, Kâlâmas, wiens geest zo vrij is van haat, vrij is van kwade wil, wiens geest onbevlekt is en gezuiverd vindt in dit leven nog deze vier verwachtingen:
'Als er een hiernamaals is, als goede of kwade daden vruchten hebben die rijpen, dan zal ik bij het uiteenvallen van dit lichaam opstaan in een hemelse wereld, in een toestand van gelukzaligheid.' Dit is de eerste verwachting die hij vindt.
'Als er geen hiernamaals is, als goed of kwade daden geen vruchten hebben die rijpen, dan houd ik mij in deze wereld vrij van haat en kwade wil, en leef veilig en wel.' Dit is de tweede verwachting die hij vindt.
'Als kwaad overkomt aan wie kwaad doet en ik wil aan niemand kwaad doen: hoe kan kwaad raken aan mij, die geen kwade daden doet?' Dit is de derde verwachting die hij vindt.
'Als kwaad niet overkomt aan wie kwaad doet, dan zie ik dat ik zuiver ben op de twee manieren.' Dat is de vierde verwachting die hij vindt.
Zo, Kâlâmas, vindt een leerling van de Nobelen wiens geest zo vrij is van haat, vrij is van kwade wil, wiens geest onbevlekt is en gezuiverd, in dit leven nog deze vier verwachtingen.
Zo is het, Heer, zo is het, Verhevene. Een leerling van de Nobelen wiens geest zo vrij is van haat, vrij is van kwade wil, wiens geest onbevlekt is en gezuiverd vindt in dit leven nog deze vier verwachtingen.
Wonderbaarlijk, Heer, wonderbaarlijk, Heer. Het is, Heer, alsof iemand zou rechtzetten wat ondersteboven staat, of onthullen wat verborgen is, of de rechte weg wijzen aan wie verloren gelopen is, of een licht brengen in de duisternis zodat wie ogen heeft vormen kan zien. Zo ook, Heer, heeft de Verhevene ons op vele wijzen de Dharma duidelijk gemaakt. En nu gaan wij voor toevlucht tot de Verhevene, tot de Dharma en tot de Sangha. Moge de Verhevene ons beschouwen als volgelingen, die vanaf deze dag en zolang dit leven duurt voor toevlucht zijn gegaan.